10 jaar geleden 100 euro op een spaarboekje gezet? Dan is dat nu nog slechts 87 euro waard

Als u 10 jaar geleden 100 euro op een spaarboekje had gezet, en dat geld al die tijd had laten staan, dan is die 100 euro vandaag ondanks de ontvangen rente  nog slechts 87 euro waard. Had u dat geld er 20 jaar geleden opgezet, dan was die 100 euro van destijds nu nog zo’n 80 euro waard. Die verarming komt omdat de inflatie, de stijging van de levensduurte, meestal hoger lag dan de rente op het spaarboekje. Dan verlies je aan koopkracht. Door de coronacrisis zal dat ook de komende jaren het geval zijn.

Dat de extreem lage rente vervelend is voor wie spaart is niet nieuw. Al snel na de bankencrisis van 2008 besliste de Europese Centrale Bank die rente te verlagen en tot 0% te brengen. Dat moest het sparen ontmoedigen en ons motiveren het geld te laten rollen, om zo de economie te helpen opveren. Dat beleid van lage rente maakt dat de banken in ons land u al jaren 0,11% totale rente per jaar bieden, het wettelijk minimum bij ons. De inflatie, de stijging van de levensduurte, lag de voorbije jaren in ons land rond de 2%. Die rekenoefening is eenvoudig: wie de voorbije jaren spaarde verloor daardoor ook telkens een beetje aan koopkracht.

Voor hun boek “Investeren in de tweede helft van je leven” hebben Michaël Van Droogenbroeck en Knack-journalist Ewald Pironet berekend hoe groot dat effect is op langere termijn. En dat is niet min. Dat komt omdat de inflatie de voorbije 20 jaar bijna altijd hoger was dan de gemiddelde rente op een spaarboekje.

Spaarboekje is verliesboekje

“Het spaarboekje brengt bijna niets meer op”, zo zegt de volksmond omdat de rente op het spaarboekje zo laag staat. Maar het is een illusie dat het spaargeld aangroeit, want als je rekening houdt met de inflatie verlies je aan koopkracht en verarm je. De voorbije tien jaar bedroeg dat verlies in koopkracht 13%, de voorbije twintig jaar bijna 20%. 

De boutade dat een spaarboekje ook een verliesboekje is, was de voorbije twee decennia dan ook erg toepasselijk. En ook de toekomst ziet er voor spaarders weinig rooskleurig uit. Het beleid van lage rente zal door de coronacrisis alleen nog maar langer worden aangehouden. Al kort na het uitbreken van de coronacrisis besliste de Europese Centrale Bank dat haar beleid van nulrente nog jaren kan duren. Ook de komende jaren zullen spaarders bij de minste inflatie dus zeker zijn van hun verlies.

En de alternatieven?

Uiteraard is het spaarboekje niet de enige manier om geld dat niet meteen wordt uitgegeven te investeren, zodat het ook rendement kan opbrengen. Maar het spaarboekje is wel met grote voorsprong de populairste manier om dat te doen. Getuige het totale bedrag op alle Belgische spaarboekjes: dat is gestegen van 100 miljard euro in 2000 tot 300 miljard euro in 2020. Een verdrievoudiging, ondanks de extreem lage rente en ondanks het verlies in koopkracht.

De alternatieven voor een spaarboekje zoals aandelen, obligaties en goud kunnen wat rendement betreft doorgaans heel wat betere resultaten voorleggen dan het spaarboekje. Maar al die alternatieven voor een spaarboekje hebben met elkaar ook gemeen dat ze meer risico inhouden. En dat zorgt bij trouwe spaarders voor heel wat wantrouwen ten opzichte van die alternatieven.

Maar er speelt ook iets anders mee: onbekend maakt ook onbemind. Uit alle onderzoeken blijkt dat de financiële kennis in ons land ondermaats is. Dat zorgt er mee voor dat veel mensen automatisch voor het spaarboekje kiezen, zonder ook maar over de alternatieven na te denken. Van Droogenbroeck en Pironet geven in hun boek een overzicht van alle voordelen maar ook alle mogelijke risico’s van al die investeringsvormen. Maar, zeggen ze, dat zou in de eindtermen van het onderwijs moeten staan zodat het algemeen verspreide kennis wordt. “Eigenlijk had dit boek dan niet hoeven geschreven te worden”, zo menen de auteurs.

Bekijk hieronder de reportage uit “Het Journaal.”

Verkeersongeval gehad: De politie bellen of niet?

Geschreven door Jan Roodhooft, advocaat |

Stel, je bent betrokken bij een verkeersongeval. Moet je in dat geval altijd de politie bellen? Kan je het ongeval met de andere bestuurder onderling afwikkelen? Een overzicht!

Als je als bestuurder van een wagen betrokken raakt bij een verkeersongeval moet je er niet noodzakelijk de politie bij roepen. Alles hangt af van de ernst van het ongeval en de vraag of er gekwetsten zijn.

De schade valt mee

Als de schade meevalt en er niemand gewond raakte bij het ongeval, kan je het ongeval onderling afwikkelen. Je kan samen met de andere bestuurder een Europees aanrijdingsformulier invullen. Zorg er wel voor dat het formulier correct is ingevuld. Kom je er onderling niet uit (je slaagt er bijvoorbeeld niet in samen een schets te maken), dan is het aangewezen de politie er toch bij te roepen.

Er zijn gewonden

Raakt er iemand gekwetst bij het ongeval of is er veel schade, roep er dan ook de politie bij. Die kan ter plaatse de omstandigheden van het ongeval vaststellen.  Doe dit ook als er iets niet in orde is met de verzekering of het rijbewijs van de andere bestuurder of als je denkt dat deze teveel gedronken heeft.

Verplaats je wagen niet zomaar

Het is belangrijk de wagens niet te verplaatsen alvorens de nodige vaststellingen worden gedaan, hetzij ze met krijt op de rijbaan af te tekenen voor ze verplaatst worden. De stand van de wagens kan immers belangrijk zijn om te bepalen wie aansprakelijk is voor het ongeval.

Je kan ook foto’s nemen van de toestand vlak na het ongeval. Noteer bovendien de namen en adressen van getuigen als die niet kunnen wachten tot de politie er is.

Weet trouwens dat tal van moderne wagens “zelf” contact opnemen met de hulpdiensten na een ongeval…